Natuurlijk wilde ik de de cursus 23-dingen afsluiten met een geniale analyse. Ik had zelfs al het handboek
Sociale Communities gedownload. Ik had natuurlijk beter kunnen weten. Op 20 augustus schreef NRC-next in een artikel over bloggen "
Schrijf beknopt. Lees jij wel eens lange stukken in je browser? Amper toch. Houd blogs dus kort". Maar in hetzelfde stuk staat ook dat korter schrijven meer tijd kost dan lange epistels. Zo kom ik dus niet verder.
Wat kunnen sociale media voor archiefmedewerkers als professionals zelf betekenen? Je zou willen dat er een virtueel koffieapparaat was waar je alle nieuwtjes hoort, uitdiept en verder kunt verspreiden. Maar internet mist de beslotenheid van de kleine kring. Binnen onze organisatie hebben we gemerkt dat je niet zo maar over allerhande zaken kunt bloggen, zelfs niet als je het met de beste bedoelingen doet. Tijdens de Archief 2.0 ochtend van de KVAN studiedagen werd gevraagd waarom zoveel personen lurken maar niet actief mee doen. Misschien mag het niet, opperde een aanwezige. Hoeveel personen denken dat ze van hun werk niet mogen, werd gevraagd. Niemand stak zijn hand op, want ook dat is gevoelige informatie. De nodige collega's hebben dan ook al weer enige tijd geleden hun digitale ganzenveder neergelegd en soms zelfs hun account opgeheven. En ze zijn niet de enigen.
Ontvrienden werd begin 2010 een populair woord en er kwam zelfs een commercieel bedrijf dat dat klusje voor je opknapt: onzichtbaar worden in het domein van de sociale media. Wanneer je in een publieke organisatie werkt, is het altijd moeilijk om in sociale media een grens te trekken tussen individuele opvattingen en beleid.

Hoe zouden onze collega's van Ambtenaar 2.0 dat doen? Ik ben aangesloten, maar heb nog te weinig tijd gehad hen te volgen. Ze bezitten wel een
handreiking. Aanleiding was ondermeer de nota
Professioneel handelen in het publieke domein van mei 2008.
Er worden 5 principes geformuleerd:
Wees geloofwaardig
Wees consistent en constructief
Wees open en ontvankelijk
Integreer online en offline communicatie
Wees een ambtenaar
Waaraan Maxime Verhagen toevoegde:
Ambtenaren hebben vrijheid van meningsuiting, ook op twitter, maar mogen het functioneren van hun dienst niet schaden".
Allemaal wijze woorden, maar helpt het me bij mijn dagelijkse archivaris 2.0 dilemma's? Niet echt.
Politie 2.0 dan? Als iemand met gevoelige informatie omgaat, is het wel deze sector. Op de startpagina staat als statement:
"Deze site is open, juist om de grenzen van de Politie op het internet te verkennen en te verleggen. Pas wel op welke informatie u van uzelf en uw organisatie op deze site zet".
In een nadere toelichting staat
"Politiemedewerkers moeten ruimte en gelegenheid krijgen om mee te denken over innovatieve toepassingen die het politiewerk op de juiste wijze ondersteunen. Mensen die met goede ideeën komen, moeten het gevoel hebben dat hun inspanningen herkend en beloond worden. Leidinggevenden zullen een niveau van vertrouwen moeten opbouwen dat noodzakelijk is om deze cultuurverandering te initiëren en de ondersteunen."
Kortom, sociale media zijn onontbeerlijk voor de persoonlijke ontwikkeling van professionals zelf, maar de sociale omgeving moet er nog mee leren omgaan.
Archivaris 2.0 wil ik hier vooral definiëren als de archivaris die omgaat met sociale media, met de consument als producent. Niet als de digitale archivaris, want dat omvat een veel breder concept. En dientengevolge moeten we bij een beoordeling van de sociale media ook naar de andere kant kijken, onze klanten als producent. Over het belang van de input van de klanten en het inspelen van archiefinstellingen op de uiteenlopende vormen zal ik het later hebben. Eerst wil ik nog de vraag stellen of we dat kunnen. Zijn we betrouwbare 2.0 partners? Kunnen we de verwachtingen wel waarmaken?

Zo kijk ik af en toe op de site van een zeer actieve 2.0 archivaris, een zeer gewaardeerde collega die ongelofelijk veel tijd steekt om als een soort Mozes het Nederlandse archiefwezen het beloofde land in te loodsen. En dan blijkt dat ik daar regelmatig voor een gesloten deur stond.
Tegenwoordig staan er keurig openingstijden. 's Avonds, zodat men terecht kan als het fysieke loket gesloten is. Houdt hij het vol? Houden wij dat vol met taakstellingen en krimpende budgetten? En hoe onderscheiden we het kaf van het koren.
Second Life was nog niet eens zo lang geleden hot, inmiddels is het een niche. Had het ons verder geholpen als we daar toen tijd en geld in hadden gestoken? Moeten we ons eigenlijk niet storten op web 3.0 functionaliteiten? (
Huub van Zwieten, specialist in
personal branding, lanceerde in zijn blog op 12 juni al web 4.0.) Zal twitter dezelfde ontwikkeling doormaken? Er zijn nu zo'n 400.000 twitteraars in Nederland, meest dertigers, waarbij 5% voor 75% van alle activiteit zorgen. Is zo'n groep van 4000 belangrijk genoeg om energie in te steken? Waarbij twitteren bovendien het kanalen met het grootste risico is binnen de sociale media. Heel wat mensen zijn inmiddels hun positie kwijtgeraakt door een
boekesteintje op het mobieltje.
OK, dan nog even kort iets over de relatie tussen de producten van de sociale media en de functie van de digitale archivaris.
Web 2.0 heeft verschillende kanten. Met name op het gebied van het beter doorzoekbaar maken van collecties vind ik user-generated content een uiterst belangrijke ontwikkeling voor het archiefwezen. Hierdoor worden massabestanden vrij gedetailleerd, soms zelfs op bestanddeelniveau, toegankelijk waar de instellingen zelf nooit over voldoende capaciteit konden en kunnen beschikken om hetzelfde te bereiken. Hoe nuttig ook, het is en blijft een instrument náást de klassieke instrumenten. Zoals de televisie de radio niet heeft vervangen, zal user-generated content op het gebied van toegankelijkheid ook niet de in de plaats komen van de inventaris, maar hierop een aanvulling zijn. Een beperking is natuurlijk wel de onevenwichtigheid, omdat de gebruikers vooral bepaalde onderdelen van de collectie van nadere informatie zullen (willen) voorzien, terwijl het een taak is van een culturele instelling om de totale collectie op basisniveau gelijkmatig toegankelijk te maken en vooral op een kwalitatief hoog niveau, i.c. de voor een juist begrip noodzakelijke context. Ik citeer dan ook van harte Nolda Römer-Kenepa, de nationale archivaris van de Nederlandse Antillen die in haar functie van ICA-vicepresident met de portefeuille CITRA in Flash van juli 2009 schreef:
"This so-called "Google Generation" completely separates form from content and is less concerned with whether the information originates from a book or a thousand year old manuscript; all they are interested in is the information contained within these two forms. In the end, not only will uniqueness, value and relevance of archival information go by unnoticed but people will also ignore the value of specialized skills, essential for preservation and managing of records, the main sources of information. If we do not act soon, these developments will have negative consequences for the image of the archivist of the 21st century. We do not want to run the risk that in the public view the archivist will become some sort of an assistant, a mere provider of content to an e-technician who is responsible for the creation of electronic information".
User-generated content wordt ook dikwijls geadverteerd als wisdom of crowds. Behalve dat ik in de geschiedenis van de mensheid alleen het omgekeerde van de wijsheid van de massa ben tegengekomen, vergeet men doorgaans dat James Surowiecki die dit begrip muntte (en voor hem Pierre Levy met de term collectieve intelligentie) voorwaarden definieerde waaraan voldaan dient te worden om de theorie van de wisdom of crowds te laten werken en dat het bovendien niet de productie van kennis betreft, maar specifieke typen besluitvorming. Net als in de economie gaat hij uit van een volkomen situatie; waar het misgaat, ligt dat aan de onvolkomen omstandigheden. En ach, we weten toch al eeuwenlang: twee weten meer dan één.
Tot slot user-generated content als verhalenfabriek. Tijdens mijn oral-history training al weer enkele decennia geleden ben ik mij bewust geworden van de beperktheid van mondelinge traditie en historisch geheugen. De inkt van
The Voice of the Past van pionier Paul Thompson was nog maar net droog. Dat hoeft het gericht vastleggen van herinneringen niet in de weg te staan, integendeel, het is uiterst wenselijk, maar het dient wel professioneel te gebeuren, wil het enige waarde als bron hebben. Vandaag (22 augustus 2010) hoorde ik tijdens de opening van het 21e International Congress of Historical Sciences een lezing van hoogleraar Ibrahima Thioub uit Senegal over Water en politieke verbeelding in Afrika, een zeer geraffineerde historische analyse op basis van oral tradition. Dat is naar ik meen niet wat veel archiefinstellingen voor ogen hebben bij de klant als producent van informatie. Waar we het publiek praatjes bij plaatjes vragen, kunnen we spelenderwijs belangrijke informatie vergaren en onze collectie verrijken, soms zelfs corrigeren, maar het willekeurig verzamelen van herinneringen heeft volgens mij weinig meer nut dan - gerechtvaardigde - klantenbinding en marketing. Oral history als verstrooiing.
Samenvattend: web 2.0 is een belangrijke positieve ontwikkeling waarvan we de impact nog niet eens kunnen overzien en die zeker een revolutie voor het ontsluiten van collecties betekent. Maar dat betekent nog niet dat we voortaan zonder professionals kunnen. Integendeel, we zullen ze harder nodig hebben dan ooit.